De Week van het Gezin (9-16 mei) had als motto ”Voor elkaar”. Deze aansporing is in een samenleving die steeds individualistischer wordt niet overbodig. Steeds vaker trekken jongeren en ouderen zich terug in hun eigen wereld, eenzaam worstelend met problemen.
De opkomst van kunstmatige intelligentie (AI) versterkt de individualisering. Jongeren zoeken bij mentale zorgen steeds vaker eerst online of bij chatbots naar antwoorden, terwijl het persoonlijke gesprek met ouders, familieleden, hulpverleners of ambtsdragers onder druk staat. Harde cijfers ontbreken, maar we horen de laatste tijd soms dat personen zelfs een vertrouwens- of liefdesrelatie aangaan met een chatbot.
Het gevolg daarvan is dat de verbinding met de mensen om ons heen zwakker wordt. Veel mensen voelen zich eenzaam, ondanks alle mogelijkheden om met elkaar verbonden te zijn. Jongeren zoeken steun bij vrienden op sociale media, terwijl ouderen geregeld ervaren dat er nauwelijks iemand werkelijk naar hen luistert. In een samenleving waarin snelheid, prestaties en digitale prikkels centraal staan, dreigt de persoonlijke aandacht voor elkaar verloren te gaan. Lijkt dit niet op een samenleving als die in 2 Timotheüs 3? Daarin worden mensen liefhebbers van zichzelf genoemd, staan eigen plezier en belang centraal, is natuurlijke liefde verloren gegaan en zijn mensen uiterlijk vroom, maar innerlijk leeg.
Onmisbaar
De Bijbel leert ons echter hoe belangrijk het is dat mensen niet alleen staan. Al in het tweede hoofdstuk van de Bijbel lezen we over het belang van nabijheid tussen mensen onderling. In Genesis 2:18 staat: „Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.” God, Die de mens volmaakt kende en wist wat hij nodig had, liet de mens niet zonder levensgezel. Dit vers onderstreept dat relaties en gemeenschap met andere mensen onmisbaar zijn voor ons welzijn.
Matthew Henry verwoordt dit treffend: „Volstrekte eenzaamheid zou een paradijs in een woestijn veranderen en een paleis in een kerkerhol.” En Prediker 4:9-12 leert ons: „Twee zijn beter dan één (…).” De mens draagt verantwoordelijkheid om zich in te spannen voor het aangaan en onderhouden van relaties.
”Voor elkaar” begint in het gezin. Het is daarom van groot belang dat kinderen vanaf hun geboorte een veilige plek hebben, waar ze de nabijheid van hun vader en moeder en de eventuele andere gezinsleden ervaren, zich veilig kunnen hechten en met alles wat hen bezighoudt bij hun ouders terechtkunnen. Het gezin is de eerste plaats waar geleerd wordt om relaties aan te gaan. Met ouders, grootouders en andere gezinsleden. ”Voor elkaar” begint met kleine dingen: speelgoed delen met een broertje, een zusje helpen als ze gevallen is, netjes op je beurt wachten, enzovoort. Kinderen die jong leren om hun vragen en problemen met hun ouders te delen, elkaar te helpen in moeilijke situaties en iets voor anderen over te hebben, zullen op oudere (puber)leeftijd beter in staat zijn om goede vriendschappen te sluiten en een relatie van trouw aan te gaan. Ouders en grootouders hebben dan ook een waardevolle plicht als het gaat om de (relatie)vorming van hun kinderen.
Echte ontmoeting
In de huidige samenleving worstelen ouders echter vaak hiermee. Peuters worden nogal eens stilgehouden met een tablet in plaats van dat ze gestimuleerd worden om met andere kinderen te spelen. Jongeren maken zogenaamde ”internetvrienden” via games en sociale media, zonder werkelijk te weten met wie ze contact hebben. Door de drukte van werk, media en dagelijkse zorgen ontbreekt het de ouders vaak aan rust en aandacht om echt met hun kinderen in gesprek te gaan. Juist samen leven, luisteren, doorvragen en tijd maken voor elkaar zijn van grote waarde voor een gezonde ontwikkeling van kinderen en jongeren. Wanneer die aandacht en verbondenheid onder druk komen te staan, kunnen jongeren zich gemakkelijker alleen of onbegrepen voelen en antwoorden op hun vragen elders gaan zoeken. Hierdoor wordt de verbinding met hun omgeving steeds kleiner.
Laten we ons daarom, gestimuleerd door de Week van het Gezin, eens extra bezinnen op hoe we onze kinderen en jongeren kunnen begeleiden in hun groei naar volwassenheid. Laten we de tijd en aandacht nemen om hen te vormen als persoon en hen te leren om op een goede basis relaties aan te gaan, hen voor te leven in wat het is om elkaar lief te hebben, fouten te maken en weer sorry te zeggen. Laten we met elkaar spreken over relatievorming en samen de tijd nemen om de verbinding te zoeken. Verbinding groeit vaak in eenvoudige activiteiten: samen wandelen, een museum bezoeken, een spel spelen. Momenten van echte ontmoeting, zonder de voortdurende afleiding van een scherm.
Om hulp vragen
”Voor elkaar” betekent niet dat alles vanzelf goed gaat. Er voor elkaar zijn houdt in dat men er voor elkaar is én blíjft, juist ook wanneer het niét goed gaat. Het is nuttig om regelmatig stil te staan bij wat ontbreekt, maar ook bij wat er wél is. Gezinnen zijn niet volmaakt. Relaties verlopen soms moeizaam en gesprekken gaan niet altijd vanzelf. Toch ligt juist in die dagelijkse, onvolmaakte verbondenheid een grote waarde. Laten we hier oog voor hebben en hieraan vasthouden.
Mag de Week van het Gezin ons opnieuw bepalen bij het belang van echte aandacht, liefde, trouw en nabijheid ten opzichte van al onze naasten? Durven wij elkaar nog om hulp te vragen en elkaar daadwerkelijk bij te staan? Want waar mensen, ondanks alle gebrokenheid, proberen er voor elkaar te zijn, daar ontstaat iets wat geen technologie ooit kan vervangen.
Laat het ons diepe verlangen en gebed zijn of God ons en onze kinderen door ware bekering bekwaam wil maken om het leven in te richten overeenkomstig Zijn wil en Woord (dat lezen we heel treffend in Romeinen 12:9-21). Opdat we, zij het in alle tekort, in liefde en ootmoed Gods gebod mogen gehoorzamen, zoals beschreven in Galaten 6:2: „Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.”
Frederik Beldman (Kliksafe), Eline de Heus (Yona), Gerdien Lassche (ROV), Laurens van der Tang (Bijbels Beraad M/V)
Dit artikel werd geschreven in het kader van de Week van het Gezin (9-16 mei) en verscheen in het Reformatorisch Dagblad van 19 mei.